Shield
Saint-Malo, Bretagne / Ille-et-Vilaine

De wachthonden van Saint-Malo

Tier 0+ - Publiek 4 min Volksverhaal
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Saint-Malo ligt als een steen in zee: een ommuurde stad op een granieten rots, met één smalle landtong naar Bretagne. Wie er over de wallen loopt, ziet strand, eilandjes en een getij dat meters zakt en stijgt. Eeuwenlang was dat lege strand na zonsondergang geen wandelgebied maar een valstrik. Zodra de poorten dichtgingen en de klok had geluid, liet de stad haar honden los: een roedel zware doggen die tot het ochtendlicht over de stranden en langs de haven zwierf. Wie te laat was, was hun zaak.

HW HW

1 De roedel achter de poort

De gewoonte heet in het Frans de chiens du guet, de honden van de wacht. De stadstraditie legt het begin in 1155, onder bisschop Jean de Châtillon, maar dat jaartal komt uit latere kronieken, niet uit een oorkonde. Het bestuurlijke spoor is wél hard: Saint-Malo hief een eigen belasting, het droit de chiennage, om de honden te betalen, en stelde stadsdienaren aan die chiennetiers heetten. Zij dresseerden de dieren, voerden ze en haalden ze bij het eerste licht weer op. Een stad die daar geld en ambtenaren voor vrijmaakt, vertelt geen verhaal maar houdt een dienst in stand.

Het waren geen herdershonden. Overlevering en oud wapenschild wijzen op zware Engelse doggen; Victor Hugo noemde er vierentwintig. Overdag zaten ze opgesloten, eerst bij de Saint-Thomaspoort, later in een hok dat men in 1674 onder het Bastion de la Hollande uitgroef. De straat en het plein daar heten nog altijd rue du Guet en place du Guet.

Het ritueel was strak. Om tien uur sloten de poorten en luidde Noguette, de klok die tussen de twee torens van de Grand’Porte hing en de nacht aankondigde. Dat was de laatste waarschuwing: naar binnen. Daarna gingen de honden los. Pas bij het ochtendgloren klonk een trompet en mocht men de stad weer uit. Tussen de klok en de trompet hoorde het strand aan de honden.

2 De nacht van 5 maart 1770

Het systeem werkte, en daarin school het probleem: honden die alles aanvallen wat beweegt, vragen niet naar rang. In de nacht van 5 maart 1770 kwam een jonge marineofficier te laat terug. Hij heette volgens de Malouinse overlevering Jean-Baptiste Ansquer de Kerouartz en had zich verlaat bij zijn verloofde in het manoir de Beauregard in Saint-Servan. De poorten waren dicht. Hij probeerde het strand over te steken. De roedel vond hem eerst.

Twee dagen later, op 7 maart 1770, maakte het stadsbestuur een einde aan de gewoonte en liet het de honden vergiftigen. Die datum staat vast; de toedracht van die nacht is overgeleverd en niet met een proces-verbaal te staven. Wel bewaarde de stad iets: Noguette bleef om tien uur luiden, ook toen er niets meer losgelaten werd, en kreeg in 1804 een plaats in de toren van de kathedraal Saint-Vincent.

De honden verdwenen sneller uit de stad dan uit de taal. Chateaubriand, hier geboren, vertelt in zijn Mémoires d’outre-tombe hoe een opgesloten dier weigerde te eten uit de hand van zijn huilende oppasser. Victor Hugo schreef in Les Travailleurs de la mer over de vierentwintig doggenportiers «die in 1770 een marineofficier opaten». En wie naar Saint-Malo vertrok, kreeg lang een spottende groet mee: goede reis, mijnheer de Kuit — de kuit krijgt een hond het eerst te pakken.

3 Eerst Malouin

Zulke bewaking past bij de stad. Saint-Malo leefde van de zee en van de oorlog op zee. Vanuit deze haven vertrok Jacques Cartier in 1534 naar het westen en bracht hij de Sint-Laurensgolf in kaart; hier werden de corsairs uitgerust die met koninklijke kaperbrief op vijandelijke koopvaarders joegen, van Duguay-Trouin tot Surcouf. Kapers waren geen piraten: zij voeren met papieren, en hun buit werd door een prijzenhof verdeeld. In 1590 zetten de Malouins hun gouverneur af en bestuurden zij vier jaar een eigen republiek. De leus dat men eerst Malouin is, dan Breton en pas daarna Fransman, is later geformuleerd maar vat die houding raak samen.

De rekening kwam in augustus 1944. Bij de gevechten om de bevrijding brandde de binnenstad uit: van de 865 gebouwen binnen de wallen bleven er nog geen tweehonderd overeind, ruwweg tachtig procent verwoest. De wallen zelf hielden stand. Men koos ervoor de stad niet als ruïne te bewaren en niet modern te herbouwen, maar in haar oude vorm terug te zetten. De eerste steen ging in januari 1947; in 1957 stond het meeste er weer en in 1972 was de kathedraal af. Wie het niet weet, ziet het niet.

Buiten de wallen ligt het rotseilandje Grand Bé. Daar liet Chateaubriand zich in 1848 begraven onder een naamloze steen met een kruis, het gezicht naar zee. Je komt er alleen bij eb, te voet over het zand — hetzelfde zand waarover de honden liepen. Wie tegenwoordig te lang blijft treuzelen, wordt enkel door het getij bestraft.

Bron: Malouinse stadstraditie; Chateaubriand, «Mémoires d’outre-tombe» (boek I, hoofdstuk 4); Victor Hugo, «Les Travailleurs de la mer» (1866); Guy Le Borgne, «Armorial breton» (1667); François Tuloup, «Saint-Malo, histoire générale» (1965).
Wist je dat? Het oudste wapen dat aan Saint-Malo wordt toegeschreven toont volgens de Armorial breton van Guy Le Borgne uit 1667 een rode dog op zilver, soms met het Latijnse devies Cave canem, pas op voor de hond. In 1949 tekende heraldicus Robert Louis een nieuw stadswapen waarin twee gouden doggen het schild met de Bretonse hermelijn vasthouden; datzelfde wapen staat op de gietijzeren rioolputdeksels in de straten van de vestingstad. Aan de place du Guet nummer 4 heet een hotel-restaurant nog altijd Les Chiens du guet. De markiezin de Créquy noteerde in haar memoires hoe een Malouinse dame, moe van de vraag of haar havenstad werkelijk door honden werd bewaakt, antwoordde dat de koning van Frankrijk zich toch ook door Zwitsers liet bewaken. En in 1996 doopte Jean Failler de stad in een detectiveroman om tot La Cité des dogues, een woordspeling op la cité des doges, Venetië.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard