Shield
Colmar, Grand Est / Haut-Rhin

Jean Roesselmann, de mestkarren en de bevrijding van Colmar

Tier 0+ - Publiek 4 min Volksverhaal
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Colmar ligt tussen de Vogezen en de Rijn, midden in de Elzasser wijnstreek, en heeft zijn middeleeuwse binnenstad bijna ongeschonden bewaard. Wie over de Grand-Rue loopt, komt langs het Koïfhus en de Maison Pfister, en achter de overdekte markt begint het kwartier dat men Petite Venise noemt, aan het water van de Lauch. Maar het oudste heldenverhaal van de stad speelt zich af bij een poort, in de dertiende eeuw, en het draagt de naam Roesselmann.

HW HW

1 De schoenmakerszoon die schout werd

In de dertiende eeuw was Colmar een jonge stad met grote plannen. Keizer Frederik II had haar in 1226 stadsrecht gegeven, een muur omsloot de akkers waaruit zij was gegroeid, en aan het hoofd van de burgerij stond een schout — in het Duits een Schultheiss — die recht sprak in naam van de keizer. In de jaren van het Interregnum, toen er in het rijk geen sterke koning zat, was dat een gevaarlijke eer.

Die schout heette Johannes Roesselmann, in het Frans Jean. Hij was geen edelman. Zijn vader was schoenmaker in Turckheim, een uur verderop tussen de wijnbergen, en de zoon was als jongeman naar Colmar getrokken. Eerst zat hij als plaatsvervanger in de rechtbank, omstreeks 1249 werd hij zelf schout. Onder zijn bestuur sloot Colmar zich aan bij een verbond van koninklijke steden en even later bij de grote Rijnse stedenbond. Dat was de politiek van een man die wist waar zijn stad haar vrijheid moest zoeken: bij de keizer, niet bij de bisschop.

In 1260 werd Walther von Geroldseck bisschop van Straatsburg, een jonge, eerzuchtige heer die geen zin had in vrijgevochten burgers. Hij dwong Colmar onder zijn gezag. De stadsadel, die de opgeklommen schoenmakerszoon toch al niet lustte, koos zijn kant. Roesselmann werd uit zijn ambt gezet en de poort uit gestuurd.

2 Het vat, de mestkarren en de dageraad

Hij ging niet ver. Nog geen jaar later liep de bisschop vast in een oorlog met zijn eigen stad Straatsburg, en Rudolf van Habsburg, landgraaf van Opper-Elzas, koos partij tegen hem. Roesselmann zocht hem op in Ensisheim en kreeg soldaten mee. In Colmar zaten zijn vrienden klaar.

Hier begint wat elke Colmarien u vertellen zal. De verbannen schout kwam de stad weer binnen zonder dat de wacht het merkte, verstopt in een vat. In de rijkst versierde versies is het geen vat maar een rij mestkarren: bij het openen van de poort rijden de boeren naar binnen, de wachters wijken achteruit voor de stank, en onder het stro liggen gewapende mannen die overeind komen zodra de kar onder de poortboog staat. Zij overrompelen de bezetting, gooien de poort wijd open, en het ontzet trekt binnen. In 1261 was Colmar weer van zichzelf, en Roesselmann weer schout.

Het jaar daarop nam de bisschop wraak, en ook hij deed het met een list. Bij het aanbreken van de dag lieten zijn aanhangers zich binnen alsof zij Habsburgse soldaten waren. Roesselmann doorzag het onmiddellijk. Hij sloeg alarm — en viel onder hun slagen. Maar zijn geschreeuw had de stad gewekt. De Colmariens grepen naar de wapens en verpletterden de aanvallers. De stad was gered en haar schout was dood: die twee zinnen staan sindsdien naast elkaar.

3 Wat de bronnen zeggen, en wat de stad bewaarde

Eerlijk is eerlijk: de kern staat vast, de mestkarren niet. Middeleeuwse kronieken en de Elzasser biografische woordenboeken zijn het eens over het ambt, de afzetting in 1260, de terugkeer met Rudolfs hulp in 1261 en de dood in het voorjaar van 1262. Zij spreken van een vat, niet van karren. En de vermomming die zij beschrijven is niet die van Roesselmann maar die van zijn belagers: het waren de mannen van de bisschop die zich voordeden als anderen. De mestkarren zijn een latere loot aan dezelfde stam, gegroeid in de herbergen en opgepoetst door de negentiende-eeuwse verzamelaars van Elzasser sagen en door het volkstoneel, dat de schout graag met een bulderende list liet terugkeren.

De stad zelf is de mooiste voetnoot. Colmar is in twee wereldoorlogen grotendeels gespaard gebleven, en daarom staat er nog wat Roesselmann verdedigde: het Koïfhus van 1480, de oude douane waar de afgevaardigden van de Decapolis vergaderden; de Maison Pfister van 1537 met haar erker en beschilderde gevel; de vissersoever en de scheve vakwerkhuizen van Petite Venise aan de Lauch. En in het oude klooster Unterlinden hangt het Isenheimer altaar, tussen 1512 en 1516 geschilderd door Matthias Grünewald. Wie daarna langs de Rue Roesselmann naar de fontein wandelt, ziet de schout op zijn sokkel staan — met het gezicht van een negentiende-eeuwse burgemeester. Dat past bij Colmar: hier lopen de eeuwen dwars door elkaar.

Bron: Nouveau Dictionnaire de biographie alsacienne, artikel «Roesselmann Johannes» door Christian Wilsdorf (1998); Monumenta Germaniae Historica, Scriptores; Édouard Sitzmann, Dictionnaire de biographie des hommes célèbres de l’Alsace (1910); Georges Livet (red.), Histoire de Colmar (1983).
Wist je dat? De Roesselmannfontein staat op de Place des Six-Montagnes-Noires en werd in 1888 opgericht door de Colmarse beeldhouwer Auguste Bartholdi (1834-1904), dezelfde die het Vrijheidsbeeld ontwierp. Het bekken van witte steen volgt de veellobbige vorm van gotische fonteinen en heeft vier bronzen vissen als spuwers. Voor het gezicht van de middeleeuwse schout nam Bartholdi de trekken van Hercule de Peyerimhoff, burgemeester van Colmar, die zich na 1871 niet bij de Duitse annexatie wilde neerleggen en moest aftreden. In 1943 werd het bronzen beeld weggehaald om omgesmolten te worden; het is zwaar beschadigd teruggevonden in de Rijnhaven, hersteld en in 1945 opnieuw geplaatst.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard