Shield
Giethoorn, Overijssel / Kop van Overijssel

De geitenhoorns van Giethoorn

Tier 0+ - Publiek 5 min Sage
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Tussen Steenwijk en Meppel, in de kop van Overijssel, ligt een dorp zonder gewone straten. Wie er woont, vaart: naar de kerk, naar het land, vroeger zelfs met de doodskist in een zwarte punter naar het kerkhof. Giethoorn heet het, en over die naam vertellen de bewoners al eeuwen hetzelfde verhaal. Het begint met een watervloed, met een stoet boetelingen die zichzelf geselden, en met de hoorns van geiten in de zwarte veengrond. Wat ervan waar is, weet niemand. Maar de overlevering is eeuwenoud, en zij staat tot op vandaag in het wapen van het dorp.

HW HW

1 De geselbroeders en de verdronken geiten

In het jaar 1170 sloeg het water toe. Een grote vloed teisterde de streek rond de Zuiderzee zo zwaar dat mensen en vee verdronken en de bossen een prooi van de zee werden. Kort daarna brak hongersnood uit, en de overgebleven bewoners bleven in bittere armoede achter. In diezelfde jaren, zo wil de overlevering, verscheen er een vreemde stoet in het land van Vollenhove, ten tijde van Wolter Snelle, kastelein op het slot aldaar. Niemand wist waar de lieden vandaan kwamen. Zij droegen het kruis voor en achter op hun kleren, geselden zichzelf en zongen onder het kastijden: doet Godes wordt, laet u sonden.

Het waren geselbroeders of flagellanten, boetelingen zoals er in de dertiende en veertiende eeuw duizenden door Europa trokken, in de overtuiging dat pest, oorlog en watersnood straffen van de hemel waren die alleen met bloedige boete konden worden afgewend. De bisschop van Utrecht, landsheer van deze streek, wist wel raad met de zwervers. Hij wees hun een wilde hoek veenland aan, vol bomen en struiken, en liet hen daar onder voorwaarden wonen.

De boetelingen begonnen te graven en te rooien, en in de grond vonden zij hoorns van geiten, bij menigte. Het waren, zo vertelde men, de hoorns van de wilde geiten die in de vloed van 1170 verdronken waren. De nieuwe bewoners noemden hun nederzetting daarom Geytenhorn, de geitenhoek. Van Geytenhorn werd Geythorn, en de tong van de streek maakte er ten slotte Giethoorn van.

2 Een onzekere overlevering

Zo luidt het verhaal, en het is werkelijk oud. F.A. Hoefer, die de geschiedenis van het dorp optekende, vond het in de oudste overleveringen van de streek terug, met naam en toenaam. Maar de geleerden zijn er nooit gerust op geweest. De kerkhistoricus W. Moll noemde de vestiging van de geselaars in Giethoorn een onzekere overlevering, en de zestiende-eeuwse kroniekschrijver Arent toe Boecop plaatste haar in het jaar 1312, ruim na de eerste vermelding van het dorp. Want die is er: in 1225 duikt Geithorne al op in een oorkonde, en in 1230 schrijft men Gethorne. Toen de geselbroeders volgens de kroniek kwamen, bestond het dorp dus al bijna een eeuw.

Taalkundigen hebben er nog een verklaring naast gelegd. Een hoorn is in oude plaatsnamen een hoek land die in het water uitspringt, en giet zou verwijzen naar git, de zwarte kleur van de veengrond. Giethoorn zou dan eenvoudig de zwarte hoek zijn; een van de buurten heette niet voor niets de Zwartekluft. De eerste ontginners waren bovendien geen boetelingen maar Sint Maartenslieden, horigen van de bisschop, die het veen stukje voor stukje openlegden.

Toch heeft de sage het pleit gewonnen waar het er het meest toe doet: in het wapen. Toen de gemeente Giethoorn in 1898 een wapen kreeg toegekend, koos men voor twee zwarte geitenhoorns, nog aan een stuk van de schedel vast, met daartussen een klein zwart kruis. De hoorns van de verdronken geiten en het kruis van de boetelingen, samen in een schild: het hele verhaal in een oogopslag.

3 Het dorp dat op het water bleef

Het veen dat de eerste bewoners ontgonnen, werd de rijkdom en het lot van het dorp. Eeuwenlang staken de Gietersen turf, en de sloten die het land moesten ontwateren, werden vaarten om die turf te vervoeren. Er werd zoveel gegraven dat het land zelf verdween. Toen stormvloeden in 1775 en 1776 over de streek joegen, sloegen zij de uitgeveende gronden tot meren, zoals het Bovenwijde vlak bij het dorp. Turfboeren werden vaarboeren: hun weilanden lagen voortaan verspreid over eilandjes die alleen per boot bereikbaar waren.

Zo kreeg Giethoorn het gezicht dat het nooit meer verloor. De huizen kwamen op pollen te staan, omringd door water, verbonden door hoge houten bruggetjes waar een punter met hooi onderdoor kon. Alles ging over het water, van de bruidsstoet tot de melkbussen, en de punter, de slanke platbodem van de streek, werd het rijtuig van het dorp.

In de zomer van 1880 stapte de schilder Willem Bastiaan Tholen er aan wal. Hij was verrukt en schilderde in de jaren daarna tientallen dorpsgezichten, die in Amsterdam en Den Haag werden tentoongesteld. De burgers wilden het geschilderde dorp met eigen ogen zien, en het bezoek is nooit meer opgehouden. Wie tegenwoordig door het Hollands Venetië vaart, tussen de rietgedekte boerderijen en onder de bruggetjes door, vaart door een dorp dat zijn naam aan een sage dankt en zijn vorm aan het water. En in het oude gemeentewapen, boven menige deur nog te zien, dragen twee geitenhoorns de herinnering aan de boetelingen die hier volgens de overlevering ooit begonnen te graven.

Bron: F.A. Hoefer, «Historische aanteekeningen omtrent Giethoorn» (Digitale Bibliotheek Overijssel); Canon van het Land van Vollenhove (canonvannederland.nl); nl.wikipedia (Giethoorn, Wapen van Giethoorn).
Wist je dat? Het wapen dat de gemeente Giethoorn in 1898 van de Hoge Raad van Adel kreeg, toont twee zwarte geitenhoorns die nog aan een stuk schedel vastzitten, met een klein zwart kruis ertussen. In het Stellingwerfs heet het dorp kortweg Gietern. Beroemd werd het pas echt in 1958, toen Bert Haanstra er zijn filmkomedie Fanfare draaide. Het oude dorp telt meer dan 176 bruggen, en de meeste daarvan zijn gewoon privébezit van de bewoners.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard