Shield
Veere, Zeeland / Walcheren

De heks van Veere

Tier 0+ - Publiek 5 min Sage
Flag
Advertentie
OthalaOthalaHandgebouwde websites die je zelf bezit

Veere ligt aan het Veerse Meer, dat tot 27 april 1961 het Veerse Gat heette en open lag op de Noordzee. Wie er nu aankomt, ziet een stadje van nog geen tweeduizend inwoners met een stadhuis dat voor een hoofdstad gebouwd lijkt en een kerk waarvan de toren halverwege is blijven steken. En onder die gevels ligt een verhaal dat in 1933 en in 1934 zwart op wit werd gezet: over een vrouw die op een bos stro over de branding voer, die schepen liet vergaan, en die de rechters van Veere levend hebben laten verbranden.

HW HW

1 De stad die van het veer leefde

Veere begon als het gehucht Kampvere of Ter Veere, een haventje in het ambacht Zandijk, en dankt zijn naam aan het veer dat hier het water overstak. De oudste vermelding staat in een oorkonde uit 1282, waarin Wolfert van Borsele en zijn vrouw Sybille bezittingen opdragen aan gravin Beatrix, de vrouw van graaf Floris V, onder meer kasteel Zandenburg en de haven.

Wat daarna kwam, ging snel. In 1444 trouwde Wolfert VI van Borselen met Maria Stuart, dochter van de Schotse koning Jacobus I; zij stierf in 1465 als markiezin van Veere. In 1541 werd Veere de stapelplaats van Schotse wol in de Nederlanden, en dat maakte de stad rijk. Omstreeks 1600 waren driehonderd van de drieduizend inwoners Schot, met een eigen bestuurder, notaris en rechter.

Van dat geld werd gebouwd. Het stadhuis aan de Markt verrees tussen 1474 en 1477 onder de Vlaming Everaert Spoorwater; in de gevel staan de beelden van vier heren en drie vrouwen van Veere. De kerk van Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw werd zo groot opgezet dat zij nooit is afgekomen: de westtoren, die ruim honderd meter had moeten worden, bleef op tweeënvijftig meter steken.

2 De vrouw op de strowis

In 1934 nam S. Franke in zijn bundel Legenden langs de Noordzee een sage op die hij eenvoudig De heks van Veere noemde. Haar naam wil hij niet geven; wie die weten wil, schrijft hij, moet de kronieken maar opslaan. Zij hield het met de duivel, die in deze streken Joost heet. Ze was toen nog jong en bekoorlijk, hij beloofde haar van alles, en zij kon de verleiding niet weerstaan.

Van toen af verstond zij de zwarte kunst. Met een zalf die de boze haar gegeven had, kon zij op een bos stro in zee drijven zonder te verdrinken. Hele nachten dreef ze zo rond op de woedende baren, het liefst als het stormde, en wee de visser die in haar buurt kwam. Bij Westkapelle liet zij een schip met vijfenveertig man aan boord zinken. Onaandoenlijk zat ze op haar strowis toe te kijken, en haar lach rochelde boven het golvengeweld en het stormgehuil uit.

De kronieken waarnaar Franke verwijst bestaan werkelijk. Het Zeeuwsch sagenboek van J.R.W. en M. Sinninghe uit 1933 geeft de processtukken. In 1565 stond in Veere een bejaarde vrouw terecht, Digna Robberts, in de wandeling Water en Brood geheten. Op de pijnbank bekende zij dat zij vijfendertig jaar eerder bij een heul, een bruggetje halverwege Middelburg en Veere, zat te eten toen een jongeman geheel in het zwart haar goud en zilver beloofde voor haar ziel, en haar bovendien zou leren schepen in volle zee te doen vergaan. Zij stemde pas toe toen hij dreigde haar tot stof te vermalen. Als teken van het verbond nam hij een vlecht van haar haar mee.

3 Tot exempel van anderen

Enkele maanden later stond in Veere een tweede vrouw terecht: Geertruid Willems, drieëndertig jaar, volgens Zeeuwse Ankers afkomstig uit Zanddijk. Uit armoede was zij naar haar zuster in Arnemuiden gegaan, die weigerde te helpen en haar toesnauwde dat ze maar voor haar brood moest werken. Halverwege de dijk liet zij zich moedeloos in het gras vallen, en daar kwam Satan naar haar toe als een schone jongeman in een korte mantel en met een zwarte hoed. Ook bij haar nam hij een haarvlecht als onderpand, ook zij kreeg een wonderzalf, waarmee zij Aagje, de dienstmeid van Leuntje Blaas, kreupel en lam maakte. Zij bood aan Aagje binnen veertien dagen te genezen als men haar vrijliet. Het gerecht ging er niet op in.

Beide vrouwen werden veroordeeld om levend te worden verbrand, in de formule van het vonnis: totdat ghy ghecommen zult wezen van levende lyve ter dood, ende U lichaam sal daar blyven staan tot exempel van anderen. Digna Robberts is nog diezelfde middag verbrand.

De stad die zulke vonnissen velde, verdween daarna zelf langzaam uit de wereld. In 1795 vervielen alle rechten van de Schotse kolonie. In 1809 beschoten de Engelsen Veere vanuit zee; toen Napoleon de stad daarna versterkte, werden in de Grote Kerk in 1813 en 1814 meer dan drieduizend Franse soldaten verpleegd, van wie er ruim veertienhonderd stierven. Van 1822 tot 1826 diende zij als werkhuis voor bedelaars. In 1861 werd het garnizoen opgeheven en in 1961 sloot de Veerse Gatdam de zee af. Alleen het carillon in de stadhuistoren speelt nog, met daarboven de klok die Peter II van den Gheyn in 1594 goot en die er nog altijd de uren op slaat.

Bron: Sage «De heks van Veere» uit S. Franke, Legenden langs de Noordzee (Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1934), p. 44-45, opgenomen in de Nederlandse Volksverhalenbank onder nummer FRANKE020. De processen zijn naverteld in J.R.W. en M. Sinninghe, Zeeuwsch sagenboek (Zutphen 1933), p. 132-134, naar Jan Vermeer (P.J. Meertens) in Ons Zeeland IV, nr. 51. Historische gegevens: Zeeuwse Ankers (Tiny Polderman) en nl.wikipedia (Veere, Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk, Stadhuis van Veere, Veerse Gatdam).
Wist je dat? Een zeventiende-eeuws spotrijmpje op de Verenaars, bewaard in het Zeeuwsch sagenboek, noemt hen dikke baarden die zich eenmaal per jaar laten scheren, waarna er borstels groeien als kalkoenveren. Aan de Campveerse Toren hing omstreeks 1740 een walviskaak. Het wapen van Walcheren voert een walvis, en een oude naamsverklaring wil dat het eiland zo heet naar de walvissen die er vroeger rondzwommen. Het carillon in de stadhuistoren telt vandaag zevenenveertig klokken.
Heimweer Heimweer

Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard