De heksenjacht van Wedde
Aan de oostrand van Groningen, waar Westerwolde overgaat in het oude Bourtangermoeras, ligt het dorp Wedde. Boven het dorp rijst de Wedderborg, een middeleeuwse burcht met dikke muren en een gracht, eeuwenlang de zetel van de drost, de machtigste man van de streek. Een klein eind verderop, tussen Wedde en Wessinghuizen, verheft zich een onaanzienlijk heuveltje met een grimmige naam: de Gieselbaarg. Daar werden aan het einde van de zestiende eeuw vrouwen die na de waterproef bleven drijven, en zo te licht werden bevonden, levend verbrand. Sage en geschiedenis lopen hier door elkaar, en beide beginnen bij de borg.
1 De borg aan de rand van het moeras
De Wedderborg is ouder dan de heksenjacht die haar naam bezoedelde. Omstreeks 1360 bouwde Adde Addinga het huis te Wedde; zijn geslacht hield Westerwolde in leen van de verre abdij van Corvey. De Addinga’s kwamen uit het Reiderland en hadden daar hun bezit verloren aan de oprukkende Dollard. Vanuit de borg voerden zij een hardvochtig bewind, tot Westerwolde in opstand kwam. In 1478 werd het kasteel met hulp van de stad Groningen en de Ommelanden verwoest; in 1486 herbouwde Haye Addinga het, na toestemming van de bisschop van Munster.
In 1530 nam Berend van Hackfort de borg in, in opdracht van Karel van Gelre, en liet zich als drost aanstellen. Twee jaar later versterkte hij de burcht met een nieuwe ringmuur, vier bastions en een poortgebouw met cellen voor gevangenen. Die cellen zouden later een sombere rol spelen.
Westerwolde viel toen niet onder het gewest Stad en Lande, maar was een Generaliteitsland, rechtstreeks onder de Staten-Generaal. De drost sprak er recht en beheerde tegelijk de geldkist. Wie hij liet oppakken, verhoorde hij in zijn eigen kerker; wat de veroordeelden bezaten, vloeide naar zijn eigen kas. Die dubbele macht, van rechter en rentmeester in één persoon, maakte wat volgde des te onheilspellender.
2 De heksenjacht op de Gieselbaarg
Aan het einde van de zestiende eeuw kwam de heksenjacht naar Westerwolde, en zij begon bij de drost van de Wedderborg. De processen werden gevoerd langs de lijnen van de Malleus Maleficarum, de beruchte Heksenhamer, een vijftiende-eeuws handboek voor de heksenjacht; een origineel exemplaar uit deze streek bleef bewaard. Begin mei 1587 werden drie vrouwen van hekserij beschuldigd. Op 9 mei ondergingen zij de waterproef: met handen en voeten gebonden werden zij in het water geworpen. Omdat zij bleven drijven, en zo te licht werden bevonden, gold hun schuld als bewezen. Twee dagen lang werden zij gemarteld door de beul van Farmsum, en op 13 mei werden zij in het openbaar op de Gieselbaarg verbrand.
Het bleef niet bij deze drie. Een tweede vervolging kostte al snel vier mensen het leven; één vrouw kwam er met een boete van af. Tussen 11 en 27 september 1589 laaide het vuur nog vier keer op en stierven twaalf mensen, ditmaal ook twee mannen; nu werd de beul uit de stad Groningen gehaald. In drie golven kwamen tussen 1587 en 1597 drieëntwintig mensen om, wat Westerwolde tot een van de dodelijkste heksenjachten van de Nederlanden maakt.
De drost hield alles nauwkeurig bij: wat de rechters en de beul aten en dronken, en welke notabelen en geestelijken een onkostenvergoeding kregen. De nabestaanden moesten voor die kosten opdraaien, en elke dorpeling stond per terechtgestelde één turf af. Alle inwoners van Westerwolde waren bovendien verplicht bij de verbranding aanwezig te zijn. Zo werd de heksenjacht voor de drost een bron van rijkdom.
3 Alke Engels en de appel
Acht jaar bleef het stil, tot in 1596 het kind van de pastoor van Blijham ziek werd en stierf na het eten van een appel. Vergif, oordeelde men, en dus hekserij. De ongeveer tachtigjarige weduwe Alke Engels werd beschuldigd de appel te hebben gegeven. Zij paste in het beeld dat men van een heks had: oud, arm en alleen. In de kerker van de Wedderborg werd zij zo lang verhoord tot zij bekende lid te zijn van een heksengenootschap en omgang te hebben met de duivel. Alke werd met twee anderen verbrand.
Onder de foltering noemde zij de veel jongere en rijkere Hemcke Aldericks, die haar de appel geleverd zou hebben. Ook Hemcke bekende, maar zij ontsprong de brandstapel: haar man kon de zeer hoge boete van zeshonderd daalders betalen. Thuisgekomen herriep zij haar bekentenis, en haar man klaagde de drost aan bij de Hoofdmannenkamer. De zaak werd doorgeschoven naar de Staten-Generaal, en in 1601 volgde het vonnis: Hemcke en haar man verloren en moesten het hele proces bekostigen.
Na 1613 werd in de Nederlanden geen heks meer verbrand. Op de Gieselbaarg bleef nog lang een galg staan. Bij opgravingen werd in 2008 een verbrand stukje schedel gevonden, vermoedelijk van een van de slachtoffers. Vandaag houdt een gedenksteen tussen Wedde en Wessinghuizen hun herinnering levend.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


