De paalworm en de dijken van Zeeland
Rond 1730 ging er een schrik door Zeeland die geen leger of vloot had kunnen veroorzaken. De vijand was klein, bijna onzichtbaar: de paalworm, een diertje dat zich in het hout van de dijkbeschoeiingen boorde en de zeeweringen van binnenuit uitholde. Het volk zag er de hand van God in.
1 De onzichtbare vijand
Eeuwenlang hadden de Zeeuwen hun dijken beschermd met rijen zware houten palen, die de golven moesten breken. Toen begon dat hout van binnenuit weg te teren: als men een paal omhoog trok, bleek hij doorboord met gangen, hol en broos als een spons. De schuldige was de paalworm, uit warmer water meegekomen met de schepen. In korte tijd waren hele dijkvakken aangetast, en bij elke storm vreesde men dat de verzwakte weringen het zouden begeven.
2 Straf en steen
In de kerken werd gepreekt dat de plaag een straf was voor de zonden van het volk, en men riep op tot boete en gebed. Maar naast het gebed kwam ook het vernuft: de waterbouwers begrepen dat hout niet langer volstond, en zij gingen over op zware bekledingen van steen, die de worm niet kon aantasten. Het kostte handenvol geld en jaren werk, maar de dijken werden sterker dan ooit. Zo bleef de paalworm in Zeeland voortleven als het verhaal van de kleinste vijand die een heel gewest aan het beven bracht, en van de mensen die het water toch de baas bleven.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


