Steden, gilden en poorters
De stad als broedplaats van legenden
De middeleeuwse stad was een wereld op zich. Achter haar muren en poorten leefde een dichte gemeenschap van ambachtslieden, kooplieden en poorters, elk verbonden aan een gilde dat zijn vak beschermde en zijn eer verdedigde. Die trotse, drukke, met elkaar wedijverende steden brachten niet alleen goederen voort, maar ook verhalen. Bijna elke oude stad in de Lage Landen draagt een legende die haar eigenheid verklaart.
Het onbeschofte standbeeld en de reus
Neem Brussel, waar het kleinste standbeeld ter stad het beroemdste is. Over Manneken Pis lopen meerdere verhalen, van het jongetje dat een brandende lont uitplaste tot het verdwaalde kind dat zo werd teruggevonden. Dat een wereldstad haar hart legt bij zo een oneerbiedig beeldje zegt alles over de nuchtere spot van de poorter. In Antwerpen sluipt dan weer Lange Wapper door de nachtelijke straten, de reusachtige plaaggeest die zich groot en klein maakt en dronkaards de stuipen op het lijf jaagt. De stad geeft zichzelf een huisspook, en dat spook is er een met humor.
Een stad die over zichzelf lacht, is een stad die zeker is van zichzelf.
De schalk en de gilde
Geen figuur belichaamt de stadse geest zo goed als Tijl Uilenspiegel, de schalk uit het Damse, die met elke streek de hoogmoed van meesters en gilden doorprikt. Uilenspiegel neemt woorden letterlijk, en juist daardoor legt hij de dubbelzinnigheid van gezag bloot. Aan de andere kant staat de eerbied voor het vakmanschap: het verhaal van Quinten Matsijs, de smid die schilder werd uit liefde, viert precies de ambachtstrots waarop de gilden gebouwd waren. Zelfs de draak boven op het Gentse belfort is meer dan een windwijzer; hij is de wachter van de stadsvrijheden, hoog en trots boven de daken.
Waarom deze verhalen tellen
Stadslegenden zijn geen versiering. Ze zijn de manier waarop een stad haar zelfbeeld doorgeeft: nuchter, trots, spottend, gehecht aan haar vrijheden en haar vaklui. Wie ze leest, leest de mentaliteit van de poorter, die eeuwen geleden al vond dat hij aan niemand verantwoording verschuldigd was dan aan zijn stad en zijn gilde.