Het dwaaslicht van Maaseik
In de lange nacht van Limburg, waar de Maas voorbij de heuvels stroomt en de moeren zich uitstrekken als donkere zeeën van riet en water, gebeurden er dingen die de mensen niet durven spreken. Niet omdat ze bang waren gelachen te worden, maar omdat ze te dicht aan de waarheid van dit land raakten. Dit is het verhaal van het dwaaslicht dat daar verscheen, en van de nacht waarin iemand het waagde om het, om het even hoe, uit zijn waanzin te breken.
1 Het licht in het moeras
Het gebeurde rond de tijd dat Dikke Marie nog leefde, en Lowieke Filis zijn krukjes maakte in het gat onder zijn huis. De moeren waren toen nog dieper dan nu, en ze strekte zich uit van de kant van de stad tot waar het water van de Maas zich verliest in nevel en niemand meer weet waar het land begint en het water eindigt.
In die dagen kwam er ’s nachts een licht uit het moeras. Niet een gewoon licht, want het was groen als de rook van een doodsvuur, en het danste. Het danste als een meisje dat betoverd is, rondjes, krullen, omhoog omlaag, alles tegelijk. De eerste keer zag het een voerman die ’s nachts naar het gasthuis moest. Hij dacht dat het een lantaarn was, van iemand die in het donker werkte. Maar hoe meer hij ernaar liep, hoe verder het wegging. En toen hij eindelijk stopte en zijn ogen sloot en wachtte, hoorde hij het water tot aan zijn borst komen.
Ze hebben hem gevonden met zijn kar in het moeras, de paarden nog aan het tuig, helemaal in de diepte. De man zelf lag op een rietkuif, half dronken van het water en het verlies. ’t Was dat licht, zei hij. Dat licht wat mij roept. Het kende mijn naam. Het riep me als mijn moeder zou roepen, als zij nog zou leven. En waar het heen ging, moest ik heen, want wat kan een man doen tegen iets wat alle namen van zijn liefde kent?
2 Het dwaaslicht voert reizigers astray
Na die eerste nacht begon het licht vaker te verschijnen. Niet elke nacht, wat het nog erger maakte, want de mensen gingen wachten op het, en wachten op het kwade is erger dan wanneer het zomaar komt. Mannen zagen het uit hun huizen en vergaten hun vrouwen. Kinderen liepen ’s nachts naar de kant van het moeras en moesten met geweld teruggehaald worden. En telkens wanneer iemand het zag, leek het door te gaan met zijn dans, steeds verder het water in, steeds dieper in de onmogelijkheid.
De priester van Sint Catharina zegde gebeden uit over het moeras. De medicijnman bracht kruiden en legde ze op de oever. Niemand dorst ernaar te gaan en het te vermoorden, want een spook van dat soort kun je niet vermoorden. Wat kun je doen met iets wat geen lichaam heeft, geen hart, geen bloed? Je kunt het alleen maar benoemen. Benoemen wat het is, en misschien — misschien — het daarmee in enig opzicht van je afduwen.
De families die nog kinderen hadden, gingen weg uit de stad. Anderen bonden hun mannen ’s avonds vast in hun bedden, wat een schande was die niemand luidop sprak. De nacht werd gevreesd in Maaseik, niet zoals men de winter vreest, maar zoals men de dood vreest — als iets wat komt nemen en niet terugbrengt.
3 De doop van het licht
Op een avond, toen de maan vol was en de mist dik op het water lag, stond er plotseling een man op aan de oever van het moeras. Het was een vreemdeling, iemand van buiten die net aan het gasthuis was aangekomen voor zijn werk. Hij kende het licht niet. Hij had geen jaren van uitputting achter zich, geen verwanten die waren verdwenen in het water. Hij keek ernaar terwijl het danste en dacht: dit kan niet kloppen.
En toen deed hij het onmogelijke. Hij ging naar het water. Niet voorzichtig, niet bang, maar met de stap van een man die al veel verloren heeft en dus niets meer vreest. En toen het licht dichterbij kwam — want natuurlijk kwam het dichterbij, dat doen die dingen — greep hij het. Niet met zijn handen, want hoe grijp je een spook? Maar met het enige wat hij bij zich droeg. Een fles water, gewijd water uit de kerk. En hij gooide het over het licht, alsof het een gedoopte was, als een zielekind.
’t Gebeurde niet zoals verwacht. Het licht schreeuwde niet. Het verdween niet in rook. Het leek zich juist te verzwakken, als een kaarsvlam wanneer je er voorzichtig je hand tegenaan houdt. En alsof het begrip wat hem met water had gegoten — wat het betekende om een naam te krijgen, om gebonden te worden aan iets menselijks — danste het niet meer. Het werd langzaam, traag, gewoon. Het werd wat het was: niet meer dan het dubbele van een dode man die niet in vrede kon sterven, noch voorbij kon gaan.
Na die nacht verdween het licht. Niet allemaal op eens, maar langzaam, nacht voor nacht, tot het uiteindelijk niet meer kwam. De mensen keerden terug. De kinderen sliepen weer rustig. En er werd gezegd dat die vreemdeling een zegen had gebracht naar dit moeras, niet omdat hij dapper was, maar omdat hij niet bang kon zijn — en soms is onwetendheid de enige kracht tegen de dingen die huizen in de oude duisternis.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


