Het Hanengekraai van Westende
Op een avond liep een boer van Westende — een zeebuurtje waar de wind ruikt naar zout en zeepuin — tegen iemand aan die hij nooit meer zou willen ontmoeten. Een heer met bokkenpoten, die precies leek te weten wat de boer nodig had. En wat de duivel vraagt, kost altijd meer dan men bereid is te betalen.
1 De Ontmoeting
Het gebeurde op een schemering, die eigenaardig grijze tijd tussen dag en nacht waarin dingen hun normale vorm verliezen. Een boer van Westende liep over een zandpad, nog bezig met het werk op het veld, toen hij plotseling een heer tegenover zich zag staan.
Maar dit was geen gewone heer. De boer voelde het onmiddellijk. De man — of wat voor hem doorging — droeg fijne kleren, maar er klopte iets niet. Zijn houding was vreemd, en toen de boer omlaag keek naar zijn voeten, zag hij iets wat alle haren op zijn lichaam rechtop deed staan: bokkenpoten. Twee magere, zwarte bokkenpoten met hoeven.
De man lachte toen hij zag dat de boer dit had opgemerkt. Het was geen prettig lachje. ‘Wees niet bang, boer,’ zei hij. ‘Ik ben niet hier om je pijn te doen. Ik ben hier omdat ik weet dat je geen geld hebt om een nieuwe schuur voor je vee te bouwen. Je kudde moet ergens heen, en je schuren — je oude schuren — vallen bijna uit elkaar.’
De boer was inderdaad arm. Zijn schuren waren inderdaad oud. Hoe kon deze vreemdeling dit weten?
2 Het Voorstel
‘Ik kan je helpen,’ zei de man met de bokkenpoten. ‘Ik zal je een voorstel doen. Onderaan op dit stuk perkament zet je je naam met bloed. En dan — dan zullen mijn kaboutertjes ’s nachts voor je werken. Ze zullen een schuur voor je bouwen. Een schuur die zo mooi en sterk is dat hij meer waard is dan al je andere goederen bij elkaar. En dat allemaal ’s nachts — vooraleer de haan ’s ochtends begint te kraaien.’
De boer staarde naar het stuk perkament dat de duivel hem voorthield. Hij staarde naar het voorstel, en hij staarde naar het mes dat de man nu in zijn andere hand hield. De verleiding was groot. De armoede was groter.
Maar iets hield hem tegen. Of misschien was het niet iets — misschien was het iemand. De boer herinnerde zich zijn vrouw thuis, en hij voelde de voorzichtigheid terugkomen. ‘Laat me er thuis over nadenken,’ zei hij. ‘Ik kan zoiets niet alleen beslissen.’
De duivel grijnzde. ‘Prima,’ zei hij. ‘Kom morgennacht hier terug. Maar vergeet niet: het hanengekraai wacht niet op niemand.’
3 De List van de Boerin
Die nacht vertelde de boer zijn vrouw alles. Hij verborg niets — niet zijn verleidingen en ook niet zijn verwijfeling. En de boerin — die veel wijzer was dan haar man — begon meteen te denken.
‘De schuur moet af zijn vooraleer de haan kraait,’ herhaalde ze. ‘Ja. En hoe lang duurt het voor een schuur af is?’ De boer haalde zijn schouders op. ‘Twee, drie weken minstens. Met veel mannen.’
‘Dan hebben de kaboutertjes niet genoeg tijd,’ zei de boerin. ‘Want als de haan kraait, zijn ze weg. Ze kunnen niet verder werken. Dus — als we de haan vroeger kunnen laten kraaien, dan kan de duivel zijn schuur niet afmaken!’
De boer begon te glimlachen. Zijn vrouw was inderdaad veel wijzer.
‘Morgen ga je naar de duivel,’ zei de boerin. ‘Je stemt in. Je zet je naam op het perkament met bloed. Want wat hij niet weet, is dat we de haan gaan laten kraaien voor de zon opkomt. Veel eerder. Midden in de nacht.’
4 De Nacht van het Gekraai
Dus gebeurde het. De volgende nacht stonden de kaboutertjes al klaar. Ze waren klein, gemeen ogende ventjes, maar ze werkten als machines. Ze sleepten bakstenen, mengden mortel, stapelden en bouwden. De boer zag hen in het licht van de maan — tientallen ervan — bezig met hun werk.
En toen, tegen middernacht, toen de schuur al behoorlijk hoog stond, toen de muren al zichtbaar werden, gebeurde het. De boerin stond op, ging naar de kippenren, en bootste het gekraai van een haan na. Ze deed het perfect — ze kende alle nuances, alle trillinkjes, alle scharsheid van een echte haan die zich tegen het aanbreken van de dageraad laat horen.
De haan, verbaasd door dit nachtelijke concert, wist niet wat hem overkwam. Maar zijn instinct nam over. Hij was een haan. Dat was zijn roep. En dus: kraaide hij. Heel luid. Heel duidelijk.
Op datzelfde moment stopten de kaboutertjes. Ze stonden doodstil. Ze keken elkaar aan. En toen — als een golf — verdwenen zij. Weg. De nacht was plotseling leeg van hun aanwezigheid.
Toen de ochtend aanbrak — de echte ochtend, uren later — zagen de boer en zijn vrouw wat er gebeurd was. De schuur stond er inderdaad. Maar hij was niet af. Aan de oostkant was een groot gat in de muur. Een gat dat groot genoeg was voor een paard.
De duivel had alles verloren. Zijn kaboutertjes hadden hun werk niet kunnen afmaken. Het hanengekraai had hen bevangen. De boer had zijn schuur gekregen — maar niet vol. En het belangrijkste: de boer had zijn ziel behouden. De list had gewonnen van de toverij.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


