De goudmaker op de Albrechtsburg
Boven de Elbe ligt in Meißen de Burgberg, met de dom en de Albrechtsburg naast elkaar. Achter de laatgotische muren van die burcht zat begin achttiende eeuw een jonge man opgesloten die voor zijn vorst goud moest maken. Goud is er nooit gekomen. Wat er wel kwam, was het eerste Europese hardporselein — en de oudste porseleinmanufactuur van het vasteland.
1 De man die zilver in goud veranderde
Johann Friedrich Böttger werd in 1682 in Schleiz gedoopt en ging in 1696, veertien jaar oud, in de leer bij de Berlijnse apotheker Friedrich Zorn. In diens laboratorium raakte hij in de ban van de alchemie. Op 1 oktober 1701 liet hij voor Zorn en drie getuigen zien hoe zilver in goud veranderde. Hoe hij dat deed, is tot vandaag niet opgehelderd; wat vaststaat, is dat het gerucht over de goudmaker zich in weken door het land verbreidde.
Koning Friedrich I van Pruisen liet hem ontbieden. Böttger vluchtte eind oktober naar een oom in Wittenberg en werd daar door de stadswacht opgepakt. Wittenberg lag op Saksische bodem, en dat besliste zijn leven: over de vermeende goudmaker ontstond een twist tussen Berlijn en Dresden, en keurvorst August de Sterke trok aan het langste eind. Op 27 november 1701 werd hij in het diepste geheim naar Dresden gebracht.
Daar kreeg hij een kamer, een laboratorium en bewakers. In een brief van 16 december 1701 verzekerde August hem persoonlijk van zijn bescherming, en liet weten dat zijn vrijheid beperkt bleef zolang hij zijn geheim niet had gedeeld. Een vlucht in juni 1703 bracht hem tot in Enns in Oostenrijk; hij werd teruggehaald en scherper bewaakt. In september 1705 liet de ongeduldige vorst hem naar de Albrechtsburg in Meißen overbrengen.
2 Wit goud in plaats van geel
Op de burcht zocht men niet alleen naar de steen der wijzen. Om smeltkroezen te krijgen die zeer hoge hitte konden verdragen, beproefde men inheemse kleisoorten. Eind mei 1706 lukte de brand van een rood, steenhard materiaal. Daarmee was voor het eerst in Europa het principe van het Chinese porselein toegepast: klei, kwarts en een vloeimiddel, gebrand bij zeer grote hitte.
Toen Zweedse troepen Saksen binnenvielen, werd Böttger in september 1706 met andere staatsgevangenen naar de vesting Königstein gebracht; een jaar lang gebeurde er niets. In 1707 haalde de geleerde Ehrenfried Walther von Tschirnhaus hem over zich op porselein te richten; de koning gaf in juni toestemming. Vanaf eind september 1707 woonde hij in een omheind huis op de Jungfernbastei in Dresden, met de laboratoriumgewelven eronder. Daar ontstond in oktober en november 1707 het witte hardporselein. Een laboratoriumprotocol van 15 januari 1708 legt de juiste mengverhouding vast; aan die datum wordt de uitvinding opgehangen.
Wie de uitvinder was, ligt gevoeliger dan de legende wil. Tschirnhaus deed al sinds de jaren 1690 smeltproeven met klei en bereikte met brandspiegels zeer hoge temperaturen. Gottfried Pabst von Ohain bracht het kaolien in, de arts Bartholomäi noteerde het protocol, en Freiberger berg- en hutlieden bouwden de ovens. Of Tschirnhaus dan wel Böttger de vinder was, is nooit beslecht; vandaag luidt het antwoord meestal: beiden, met een ploeg om hen heen. Tschirnhaus stierf op 11 oktober 1708. Böttger vond in 1709 het glazuur en bekende eind dat jaar aan de koning dat hij geen goud kon maken.
3 De burcht, het merk en de stad
De Albrechtsburg was voor de nieuwe taak een vreemde en toch ideale keuze. Ernst en Albrecht van Saksen gaven bouwmeester Arnold von Westfalen in 1471 opdracht op de oude markgrafenburcht een slot te zetten. Het geldt als de eerste kasteelbouw in Duitsland die als paleis en niet als vesting werd opgezet: hoge vensters, een sierlijke wenteltoren en de celgewelven die hier zijn ontwikkeld en wijd nagevolgd. Residentie werd het nooit; na de Dertigjarige Oorlog stond het leeg. Pas in 1676 kreeg het zijn naam.
Juist die leegte en afzondering maakten het geschikt: nergens was het geheim veiliger. Op 6 juni 1710 nam de manufactuur er haar bedrijf op, en elke werkman kreeg maar een deel van het procédé te horen. Het geheim hield niet: in 1718 bracht de gevluchte arkanist Samuel Stöltzel de recepten naar Wenen. Böttger zelf moest onder toezicht in Dresden blijven en kwam er zelden. Op 19 april 1714 kreeg hij zijn vrijheid terug, onder eed het land niet te verlaten. Hij stierf op 13 maart 1719, zevenendertig jaar oud; zijn graf is niet bewaard.
Het merk van de gekruiste zwaarden, naar de keurzwaarden uit het Saksische wapen, kwam pas na zijn dood: het blauwe onderglazuur werd in 1720 ingevoerd, en vanaf 1731 was het teken voorgeschreven. De manufactuur bleef tot 1863 op de burcht en verhuisde toen naar het Triebischtal. De burcht werd hersteld, beschilderd en opengesteld; ze is nu museum. Wie in Meißen de Burgberg beklimt, ziet dom en burcht boven de Elbe staan en aan de hellingen de wijnbergen van een van de kleinste wijngebieden van Duitsland.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


