Het Kostbaar Bloed van Fécamp
Aan de Alabasterkust, waar het riviertje de Valmont tussen twee krijtwanden de zee bereikt, ligt Fécamp. Boven de vissershaven staat een abdijkerk die te groot lijkt voor de stad eromheen: honderdzevenentwintig meter lang. Achter het hoogaltaar staat een marmeren tabernakel, en daarin liggen twee loden kokertjes met wat men hier het Précieux Sang noemt, het Kostbaar Bloed van Christus. Hoe dat bloed in Normandië belandde, vertelt Fécamp met een verhaal over een uitgeholde vijgenstam die eeuwen op zee dreef.
1 De vijgenstam en de bron
Bij de kruisafname stond Isaac erbij, een neef van Jozef van Arimathea. Terwijl de anderen het lichaam van het kruis namen, ving hij met een mes enkele opgedroogde druppels bloed op. Hij sloot ze in loden kokertjes, samen met het afgebroken stukje van het lemmet waarmee hij ze had geschraapt, holde een vijgenstam uit, legde alles erin en dichtte het hout.
Het bloed mocht niet in verkeerde handen vallen. Isaac bracht de stam naar de kust en vertrouwde hem aan de zee toe: die zou hem brengen waar hij horen moest. De stam dreef eeuwenlang. Toen spoelde hij aan op de kiezels van het Pays de Caux, bij een plaats die Fiscannum heette, en op die plek ontsprong een bron. Waar de ossen met de kar niet verder wilden, verrees later de abdij. Aan die stam dankt Fécamp volgens de vertellers zijn naam: fici campum, het veld van de vijgenboom.
Ook het gebouw kreeg een hemelse hand. In 943, bij de wijding van een oudere kerk, zou ’s nachts een onbekende gestalte aan het altaar zijn verschenen. Hij wijdde de kerk in de naam van de heilige en ondeelbare Drie-eenheid, liet zijn mes achter en verdween; in de steen bleef de afdruk van zijn voet. Dat is het Pas de l’Ange, en het verklaart waarom de abdij niet aan een heilige maar aan de Trinité is toegewijd.
2 De hertogen van Fécamp
Onder de legende ligt een geschiedenis die zich wel laat dateren. Rond 658 stichtte graaf Waneng hier een klooster; de Noormannen verwoestten het aan het eind van de negende eeuw. Richard I, hertog van Normandië, werd in 933 in Fécamp geboren en liet er rond 990 een kerk met kanunniken herbouwen. Zijn zoon Richard II maakte er in 1001 een benedictijnenabdij van en haalde Guillaume de Volpiano uit Bourgondië om haar te leiden. Van hieruit werden de kloosters van heel Normandië hervormd.
Fécamp was toen geen provinciestadje maar de zetel van de hertogen. Naast de abdij stond hun paleis, waarvan nog muurwerk overeind staat. Richard I en Richard II stierven hier allebei en liggen hier begraven: eerst buiten, onder de dakgoot van het westportaal, opdat de regen hen van hun zonden zou wassen, en vanaf 1099 bij het altaar. Pas daarna groeide Rouen uit tot de hoofdstad die men zich bij Normandië voorstelt.
De relikwie zelf duikt laat op. Rond 1120 kende Baudri van Bourgueil al een versie van het verhaal; de vijgenstam en de vijgenetymologie kwamen er later bij, want Fiscannum heeft vermoedelijk met vis te maken en niets met vijgen. In 1171, bij herstelwerk na de brand van 1168, vond men twee loden kokertjes met bloeddeeltjes. Vanaf dat moment kwamen de pelgrims in aantallen.
3 De pardon en de likeur
Het schrijn wordt nog altijd in de abbatiale de la Trinité bewaard en tweemaal per jaar rondgedragen: op de dinsdag en de donderdag na Drievuldigheidszondag, de Pardon du Précieux Sang. In juni 2022 werd het uit de kerk gestolen. Een Nederlandse privéspeurder spoorde het een maand later op, en op 13 september 2023 gaf de bisschop van Le Havre het tijdens een mis aan de stad terug. De kokertjes bleken ongeopend.
De derde laag is jonger en van een andere orde. In 1863 bracht wijnhandelaar Alexandre Le Grand een kruidenlikeur op de markt onder de naam bénédictine, met het verhaal dat hij in een oud boek een verloren abdijrecept had teruggevonden: een elixir van dom Bernardo Vincelli, benedictijn te Fécamp in 1510. Van die Vincelli is in de archieven geen spoor. De letters D.O.M. op het etiket, Deo Optimo Maximo, deden de rest.
Le Grand liet door stadsarchitect Camille Albert een fabriek bouwen die op een paleis moest lijken. Het eerste gebouw brandde op 12 januari 1892 af; het tweede, nog uitbundiger, kwam rond 1900 klaar en staat er nog: het Palais Bénédictine, half stokerij, half museum. Dat is reclame-mythologie, en goede: de likeur was er eerst, het klooster kwam erbij. Nieuw was die kunst in Fécamp niet.
Vie FelineKattengedrag en vachtverzorging
Heimweer.be — Europees Erfgoed Bewaard


